
Euthanasie(SV 14/06/2014)
14 juni 2014
Christen en maatschappij(SV 22/11/2014)
22 november 2014Klik hier om de PDF te downloaden
Homoseksualiteit
I Homoseksualiteit en homoseksuele relaties
A Homoseksualiteit in kerk en samenleving
Binnen de kerken wordt verschillend gedacht over homoseksualiteit. Dat staat niet los van ontwikkelingen in de samenleving. Seksualiteit is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw meer in het teken van geluks‐ en genotsbeleving komen te staan en minder in het teken van de voorplanting. Zij heeft een plaats binnen relaties die niet per se bedoeld zijn als verbond tot levenslange liefde en trouw. Seksualiteit is geen ethisch ijkpunt meer. Waar de kerk dit nog wel als zodanig hanteert, wekt dat argwaan. Deels is dat te begrijpen in het licht van hypocrisie en misbruik binnen de kerk.
Intussen bestaat er in de samenleving een groeiende acceptatie van seksuele relaties tussen personen van gelijk geslacht. De overheid faciliteert en stimuleert deze met haar wetgeving. Dit heeft de emancipatie van homoseksuelen sterk bevorderd. De homobeweging bestrijdt niet alleen discriminatie van homoseksuelen maar ook traditionele ethische opvattingen, zeker wanneer die op de Bijbel gebaseerd zijn.
Deze ontwikkelingen gaan niet aan de kerken voorbij. Visies veranderen, vanzelfsprekendheden verdwijnen, verwarring en verwijdering roepen spanning op. Deze spanning wordt vooral gevoeld door de homoseksuele broeders en zusters in de gemeenten. Zij zijn in het verleden meer dan eens onheus bejegend, met alle gevolgen vandien. Wij willen met hen meeleven. Alleen al de gedachte dat zij minder zouden zijn dan een ander, stelt ons schuldig voor God.
Ontkenning noch relativering van de problematiek helpt ons verder. Bezinning is nodig. De kerk zoekt daarbij haar houvast in het Woord van God. Dat is richtsnoer en maatstaf voor geloof en leven. Dan kan wel een leefwijze van een naaste voorwerp van beoordeling zijn, maar de naaste zelf nooit voorwerp van véroordeling. Wij verzetten ons tegen elke vorm van geweld tegen homoseksuelen.
B Terminologie en cijfers
Homoseksuele gevoelens duiden op seksuele gevoelens voor iemand van hetzelfde geslacht. Volgens onderzoek onder de Nederlandse bevolking komen deze gevoelens in enige mate voor bij zes procent van de mannen en vijftien procent van de vrouwen. Wanneer deze gevoelens blijvend zijn, spreken wij over een homoseksuele gerichtheid (ook wel ‘oriëntatie’ of ‘voorkeur’). Dan worden als cijfers genoemd: drie procent van de mannen en één procent van de vrouwen. De aanduiding ‘homofilie’ is niet gangbaar meer. Het woord ‘geaardheid’ gebruiken wij ook liever niet. Dit woord suggereert te massief een biologisch bepaalde seksuele voorkeur. Wanneer iemand zichzelf als homoseksueel persoon ziet en profileert, spreken we van een homoseksuele identiteit. In de praktijk gaat dat doorgaans gepaard met intieme homoseksuele omgang (in het rapport ook ‘handelen’ en ‘gedrag’).
C Achtergronden
Al vanaf de klassieke oudheid wordt gezocht naar een verklaring van homoseksuele gevoelens. Die herkende men toen ook al. In het huidige debat speelt de wetenschap van de biologie een grote rol. Biologische verklaringsmodellen leggen het accent op het aangeboren‐zijn van een homoseksuele gerichtheid (Eng. nature). Deze gerichtheid moet dan worden gezocht in hormonen, hersenen, genen of een combinatie daarvan.
Ouder is de verwijzing naar psychosociale factoren. Daarbij kan worden gedacht aan aangeleerd gedrag en de invloed van de omgeving (Eng. nurture). Soms wijzen theorieën op een stoornis in de ontwikkeling van kind naar volwassene.
Als verklaringsmodel moet ook nog worden genoemd: homoseksualiteit als uiting van verzet tegen de gevestigde maatschappelijke orde. Wetenschappers blijven ten aanzien van het ontstaan van een homoseksuele gerichtheid spreken van een complexe wisselwerking tussen ‘nature’ en ‘nurture’.
Er is gezocht naar mogelijkheden van een ombuiging van de homoseksuele naar een heteroseksuele gerichtheid. In het algemeen geldt dat iemand die van jongs af aan een homoseksuele gerichtheid heeft, deze niet of nauwelijks kan veranderen. Anders ligt dat soms bij iemand die door een bepaalde ontwikkeling in zijn latere jeugdjaren deze oriëntatie heeft ontwikkeld. Hoe dit ook zij, noch lichamelijke, noch psychische, noch maatschappelijke factoren zijn de norm voor ons handelen. De mens heeft een wil en is verantwoordelijk voor de wijze waarop hij met zijn constitutie omgaat. Juist met het oog daarop belijdt de kerk dat de norm voor ons handelen gevonden wordt in Gods Woord.
D Gelovige omgang met de Schriften
Binnen het raam van onze Schriftbeschouwing komt aanvaarding vóór beschouwing: de Geest die sprak door profeten en apostelen, is dezelfde Geest die in onze harten getuigt dat de Schrift door God is ingegeven. Ze bewijst zichzelf, onafhankelijk van onze argumentaties. Wij willen de Bijbel ontvangen in de gehoorzaamheid van het geloof. Wij doen dat in vreugde en met liefde omdat de Schriften het goede nieuws van vergeving en bevrijding verkondigen.
De gereformeerde Schriftbeschouwing wil rekenen met tijd en cultuur van toen en van nu maar niet zo dat de cultuur gaat heersen over het gegeven Woord. Dan zijn we zomaar te kritisch tegenover de cultuur van toen en te weinig kritisch tegenover onze cultuur. Het ene Woord spreekt heel de mensheid aan. De uitleg van de Bijbel vraagt om een vergelijking van Schrift met Schrift. Zij houdt daarbij rekening met de geschiedenis van het heil in de voortgang van het Oude naar het Nieuwe Testament.
Deze voortgang laat zich volgen langs de lijn van schepping, zondeval en verlossing. In relatie tot de kruisdood en opstanding van de Heere Jezus Christus licht op die hele lijn het Koninkrijk van God op. In Christus ontvangen de gelovigen bevrijding van de schuld en de macht van de zonde. Zij ontvangen in Hem een nieuwe identiteit. Zo delen zij in de nieuwe schepping, zij het nog onderweg naar de volmaaktheid. De concrete gestalte van het christelijke leven is de navolging van Christus. Deze gaat gepaard met kruisdragen, offers brengen en strijd leveren maar in het vreugdevolle perspectief van het Koninkrijk. In de stoet van pelgrims worden gelovigen moedige en blijmoedige kruisdragers.
E Seksualiteit en huwelijk
De mens is door God geschapen, mannelijk en vrouwelijk. Man en vrouw zijn gelijk in de relatie tot hun Schepper maar verschillend ten opzichte van elkaar. Eigen aan de menselijke seksualiteit als scheppingsgave is de gerichtheid op de andere sekse. In vreugde delen man en vrouw het leven en in vruchtbaarheid geven zij nieuw leven door. Deze gave is door de zondeval wel geschonden maar toch bewaard gebleven. Huwelijk, seksualiteit en het ontvangen van kinderen staan onder het teken van de zegen van God. Zowel in Oude als Nieuwe Testament is seksualiteit geen drift tot eigen geluksbeleving. Ze blijft een gave dienstbaar aan de eer van God, aan relaties in liefde, eerbied en trouw en ook aan het voortbestaan van het menselijk geslacht.
Als trouwverbond is het huwelijk van de gelovigen een afspiegeling van het verbond tussen God en mensen. En ook van de verbondenheid tussen Christus en zijn gemeente. De huwelijksband wordt dan ook gesmeed voor het leven. Zij brengt twee mensen met heel hun persoon‐zijn bijeen. Deze band wordt bevestigd met een wederzijdse belofte ten overstaan van een derde. Hiermee wordt onder meer de gave van de seksualiteit beschermd. Deze vindt zijn geëigende plaats binnen dit verbond.
Het verlangen van man en vrouw naar elkaar staat niet op zichzelf. Het verwijst naar het verlangen naar de vervulling van het allerhoogste geluk. Dat bestaat in de band van de mens met zijn Schepper. De diepste completering van het man‐ of vrouw‐zijn wordt gevonden in de verbondenheid met God door Christus. Seksualiteit en huwelijk worden in het Nieuwe Testament gerelativeerd door de toekomstbelofte van het ‘God alles in allen’. In dat licht wordt het ongehuwd‐zijn door de Heere Jezus en door Paulus gezien als een gelijkwaardig alternatief en als een mogelijkheid om de komst van het Koninkrijk te dienen.
F Schriftgegevens in discussie
De woorden ‘homoseksualiteit’ en ‘homoseksuele relaties’ zoeken we in de Bijbel tevergeefs. Waar van homoseksualiteit sprake is, betreft dat op het eerste gezicht alleen homoseksueel gedrag. We bespreken de voor het onderwerp meest relevante teksten.
1. Genesis 1–2. Uitgaande van de seksualiteit als scheppingsgave aan man en vrouw, moeten homoseksuele gevoelens en een homoseksuele gerichtheid worden gezien als teken van de gebrokenheid ten gevolge van de zondeval. In deze gebrokenheid delen allen op een eigen manier, zodat niemand zich moet verheffen of zich minderwaardig hoeft te voelen.
2. Romeinen 1:26-27. In de eerste hoofdstukken van zijn brief maakt Paulus duidelijk dat alle mensen zonder onderscheid alleen behouden kunnen worden via rechtvaardiging door het geloof in Christus. De apostel somt meer dan twintig zonden op waarmee de mens schuldig staat voor God (Rom. 1:29-31). De seksuele omgang tussen mensen van gelijk geslacht stelt hij niet voorop omdat deze zonde erger zou zijn dan de andere. Wel doet hij dat omdat deze zonde de aard van de zonde duidelijk maakt: dat de mens het geschapene vereert boven de Schepper. Zo is hij in zijn denken verduisterd geraakt en in zijn doen verward. ‘Tegennatuurlijk’ handelen is hier niet een handelen dat ingaat tegen de actuele natuur van een individueel persoon. Het is een handelen dat ingaat tegen de bedoeling van de Schepper.
De verklaring waarbij Paulus alleen heidense tempelprostitutie af zou wijzen, of anders de homoseksuele omgang tussen een heer en zijn slaaf, voldoet niet en wordt met argumenten weerlegd. Ook valt niet hard te maken dat Paulus alleen decadent en losbandig gedrag af wil wijzen. Alle homoseksueel handelen valt onder het oordeel van ‘schandelijk’ en ‘onrein’. Deze woorden herkenden Joodse lezers uit de Griekse vertaling van het boek Leviticus. Maar dit oordeel stemt ook overeen met dat van de heidense omgeving. Een homoseksueel handelen tussen gelijkwaardige, vrije burgers werd niet geaccepteerd, laat staan een homoseksuele relatie.
Paulus schrijft niet uitdrukkelijk over een homoseksuele gerichtheid, hoewel die in de antieke wereld wel bekend was en bij Paulus waarschijnlijk ook. Hij schrijft daar niet uitdrukkelijk over maar dat betekent niet dat hij ons daarover niets te zeggen heeft. In Romeinen 1 schrijft Paulus juist vanuit de verwevenheid van persoon en handelen.
In zijn handelen blijkt hoezeer de mens (alle mensen en ieder mens) tot in zijn diepste wezen vervallen is aan zonde en gebrokenheid.
3. I Corinthiërs 6:9-10 en I Timotheüs 1:9-10. Bij ‘schandknapen’ en ‘mannen die met mannen slapen’ gaat het om mannen en jongens die vasthouden aan een zondige levenswijze. Deze vormt een blokkade voor het ingaan in het Koninkrijk van God. Sommigen in de gemeente van Corinthe hebben zich tot Christus gewend en bevrijding gevonden. Zij leven nu door genade onder een nieuwe heerschappij.
4. Leviticus 18:22 en 20:13. Het gaat in deze hoofdstukken om bepalingen tegen zonden die de toekomst van het volk Israël in het beloofde land in gevaar brengen. Al deze zonden vallen onder het concluderende oordeel dat ze een ‘gruwel’ zijn in de ogen van de Heere (Lev. 18:26-30). Het valt op dat slechts een van de genoemde zonden dat oordeel ook afzonderlijk krijgt: homoseksueel gedrag.
Het verbod daarop heeft een cultisch aspect: in heidense heiligdommen waren zogenaamde ‘heilige mannen’ actief. Maar deze mannelijke prostitués worden als zodanig niet genoemd. Bovendien is het verband waarin dit verbod staat algemener. Dit verbod sluit aan bij een verbod op homoseksuele omgang in het algemeen, ook in andere Oud-Oosterse wetgeving. Het woord ‘gruwel’ wijst op het bijeenbrengen van zaken die niet bij elkaar passen. Het verbod beschermt de grenzen die God in de schepping stelde. Ook beschermt het de fundamenten van menselijk samenleven en daarmee van Israëls volksbestaan en het onderstreept het heilige karakter van Gods volk te midden van de andere volken.
5. Genesis 19. In Sodom wordt de gastvrijheid ernstig geweld aangedaan. Verkrachting was een wapen om overwonnen vijanden van hun laatste mannelijke waardigheid te beroven. Hard is het oordeel van God, waarbij niet alleen de schending van het gastrecht in het geding is maar ook de tegennatuurlijke manier waarop. Door daaraan te refereren wijst ook de apostel Judas impliciet homoseksueel gedrag af (Judas :7-8). De situatie van Genesis 19 is zo extreem en eigensoortig, dat deze niet toepasbaar is bij een pastorale benadering van homoseksuele broeders en zusters die rekening willen houden met de wil van God.
6. Richteren 19. Een aan de vorige verwante geschiedenis maar nu speelt die zich af binnen Israël zelf. Uit het woordgebruik wordt duidelijk dat de verkrachting van een vrouw wordt gezien als een misdaad maar de voorgenomen verkrachting van een man als een ‘schanddaad’. Ook in deze geschiedenis speelt affectie tussen mensen van gelijk geslacht geen enkele rol.
G Bijbeltekst en actualiteit
De christelijke kerk heeft de eeuwen door elke homoseksuele relatie afgewezen. Maar dan kan niet worden volstaan met het citeren van Bijbelteksten. Deze moeten worden gewogen. Geldt een Bijbels verbod in de toenmalige cultuur onverminderd in de onze? Sommige wetsbepalingen uit het Oude Testament blijken in het Nieuwe Testament al niet meer geldig. Hoe wil de Schrift op dit punt gelezen worden? Kent de Bijbel de homoseksuele gerichtheid wel?
Een homoseksuele gerichtheid is een teken van de gebrokenheid omdat deze de door de Schepper bedoelde gerichtheid op de andere sekse mist. Binnen een homoseksuele relatie ontbreekt de schepselmatige verscheidenheid die nodig is om elkaar als mens te completeren. Ook ontbreekt de met de schepping gegeven mogelijkheid om kinderen voort te brengen. Ieder mens ondervindt overigens op dit terrein en op andere terreinen de gebrokenheid ten gevolge van de zondeval.
God is in zijn ondoorgrondelijke liefde een weg van herstel gegaan, via het verbond met Abraham en zijn kinderen. In Christus doet God zijn Koninkrijk komen. De schatten die de Koning uitdeelt, zijn de vergeving van zonden, de bevrijding van zelfrechtvaardiging en hoogmoed maar ook van verslavende machten. Op zichzelf zou de verlossing in Christus ook kunnen leiden tot een herstel van een beschadiging op het gebied van de seksuele gerichtheid. Hierbij moet evenwel worden bedacht dat het heil dat er nu ‘reeds’ is ‘nog niet’ ten volle werkelijkheid is geworden. Wel hebben gelovigen in Christus een nieuwe identiteit ontvangen. Dat brengt hen in de navolging van hun Here tot het op zich nemen van hun kruis, in gehoorzaamheid aan Gods geboden. In de strijd, die dat geeft, is er de belofte van de kracht van de heilige Geest.
Maar was Paulus inderdaad wel bekend met de diepe verwevenheid van homoseksuele gerichtheid met het hele persoon‐zijn? Als hij daarvan evenveel geweten zou hebben als wij vandaag, zou hij dan niet milder geoordeeld hebben? In de Griekse oudheid werd een verhouding tussen twee volwassen burgers van gelijk geslacht niet geaccepteerd. Wel die tussen een volwassen man en een jongen. Ook was men bekend met een aangeboren homoseksuele gerichtheid. We vinden daarvoor aanwijzingen bij Griekse filosofen en Romeinse schrijvers. Deze aanwijzingen dateren zowel van vóór als van kort na Paulus’ tijd. Daarom kan worden aangenomen dat ook Paulus heeft geweten van een seksuele voorkeur die niet altijd op een persoonlijke keus berust. Bij zijn beoordeling van homoseksueel handelen in de brieven aan de Romeinen en de Corinthiërs – ingegeven door de Geest – speelt dit onderscheid evenwel geen rol.
In onze tijd vragen individualiteit en authenticiteit om ruimte voor de beleving van gevoelens die men beschouwt als behorend bij het diepste wezen. In vergelijking met de Bijbeltijd is dat nieuw. Maar naar onze overtuiging hebben de woorden van de Bijbelschrijvers een gezagvolle betekenis die uitgaat boven hun eigen tijd en context.
De afwijzing van homoseksueel gedrag kan ook niet worden gerelativeerd door de Schriften te lezen vanuit een bepaalde kerngedachte. Genoemd wordt dan het verbond. Zolang menselijke relaties de liefde en trouw van Gods verbond weerspiegelen, kan de invulling van die relaties variëren. Maar toegepast op homoseksualiteit, wordt het verbond dan losgemaakt van de schepping.
Anderen kiezen de liefde zelf als kerngedachte. Is de liefde er niet op uit de ander helemaal tot zijn recht te laten komen? Daarbij moet aangetekend worden dat Bijbels bezien de liefde niet de vervanging maar de vervulling is van de wet. Dat geldt ook daar waar de liefde leidend is bij het beoordelen van de levenswijze van een ander. De liefde moet niet de gestalte krijgen van een tolerantie die op gespannen voet staat met het hele Bijbelse spreken. Parallellen met Mozes’ toestaan van de scheidbrief gaan niet op.
Ook ‘vrijheid’ wordt soms als kerngedachte gehanteerd. In de Bijbel zelf zien we gaandeweg meer vrijheid voor achtergestelden: vrouwen en slaven bijvoorbeeld. Wil het evangelie niet ook vrijheid brengen aan mensen met een homoseksuele gerichtheid? Dat is zeker waar, maar de Bijbelse vrijheid concurreert niet met de door God gegeven patronen voor het menselijk samenleven. Wat de homoseksuele relatie betreft, laat de Bijbel geen ontwikkeling zien naar meer vrijheid.
Aparte aandacht verdient de geldigheid van oudtestamentische geboden. Beide testamenten getuigen van het ene heilshandelen van de ene God. De geboden staan in het teken van de bewaring bij de vrijheid die God zijn volk verschaft. Dat Christus Gods wet heeft vervuld, betekent dat we vele oudtestamentische geboden niet meer volgen. Andere worden juist aangescherpt. Ook de apostelen blijven uitgaan van de hele Schrift. Zo kan Paulus vrijmoedig teruggrijpen op Leviticus.
Naast de eenheid is er in de Schrift ook verscheidenheid. Voor de geldigheid van de geboden is van belang te weten of deze speciaal bedoeld zijn voor Israëls eredienst of burgerlijke samenleving. Israëls eredienst is in Christus vervuld. Dat Hij de straf gedragen heeft, stelt de oudtestamentische straf op concrete zonden in een ander licht. Niet alle geboden zijn uitsluitend moreel van aard. Alle geboden hebben wel een morele dimensie tot bevordering en bescherming van het mens‐zijn en de samenleving voor Gods aangezicht. Deze morele dimensie is niet altijd direct zichtbaar. Het verbod op homoseksueel handelen heeft meer dan een cultische dimensie. Dat het expliciet slechts eenmaal voorkomt, bevestigt de onomstreden kracht en centrale functie. Daarnaast keert het terug in het Nieuwe Testament.
In het Nieuwe Testament blijken sommige verboden een voorlopige geldingskracht te hebben, bijvoorbeeld het eten van bloed. Naar analogie hiervan spreken sommigen van een beperkte geldigheid van het verbod op homoseksueel verkeer. Dit zou slechts passen in een cultuur waarin de individualiteit helemaal ondergeschikt was aan het collectieve. In het Nieuwe Testament komt de individuele persoon meer naar voren. Maar ook deze is blijvend geroepen tot heiliging. Dat laatste motief weegt bij de Bijbelse beoordeling van homoseksualiteit zwaarder dan dat van de collectiviteit. Ook de gedachte van de aanpassing biedt niet meer ruimte. Om zijn Woord ingang te doen vinden in de heersende cultuur, zou God aanvankelijk polygamie en patriarchaat hebben gedoogd. Om dezelfde reden zou Paulus homoseksuele omgang juist hebben afgewezen. In onze tijd zou juist het toestaan daarvan de verbreiding van het evangelie ten goede komen. Maar Paulus beroept zich niet op de cultuur, hij schrijft vanuit schepping, zondeval en verlossing.
Uit de teksten en hun weging moet de conclusie zijn dat de Schrift geen ruimte laat voor homoseksueel gedrag en voor relaties waarin dit een plaats heeft.
H Kerk en gemeentelid
De kerk als geheel zoekt door weging een weg maar welk gezag heeft daarin de persoonlijke weging van het individuele gemeentelid? In de kerk geeft niet de heersende cultuur maar Gods Woord de doorslag voor onze levensstijl. Alle individuele gemeenteleden zijn daarop aanspreekbaar. De Geest leidt de gelovige tot de waarheid, ook wat de moraal betreft. De Geest geeft leiding in verbondenheid aan Christus. Hij was volstrekt een van wil met de hemelse Vader. Zo vindt een mens het ware mens‐zijn.
De seculiere mens ziet niet hoe een verbod op een homoseksuele relatie het mens‐zijn kan dienen. Dat kan ook voor kerkmensen moeilijk zijn maar ook als wij de precieze bedoeling niet kennen, blijft de roeping tot gehoorzaamheid. De kerk heeft dit verbod dan ook de eeuwen door gehandhaafd. Daarbij zijn wel zonden begaan. Het verbod is onbarmhartig en wreed gehanteerd. Daarover dient schuld te worden beleden. Maar een verkeerde hantering af te wijzen is iets anders dan van het goede gebod af te wijken. Al wordt de strafmaat bij het verbod in het Nieuwe Testament niet overgenomen, het verbod zelf wel.
Het kan gebeuren dat trouw meelevende gemeenteleden op het punt van hun homoseksualiteit andere conclusies trekken. Op zichzelf staat elke gelovige direct voor God. Maar als belijdend lid van de kerk heeft men zich wel onder herderlijk opzicht en tucht van de kerkenraad geplaatst. Deze gewillige onderwerping rust in wat de Bijbel over de plaats van de ambtsdragers zegt. Ouderlingen geven stem aan wat de gemeenschap der heiligen van de wil van God heeft verstaan uit de Schrift. Dat geeft ouderlingen de bevoegdheid om te oordelen over wat strijdig is met de eer van God en de heiligheid van de gemeente. Bij de uitleg van de Schrift weegt deze bevoegdheid zwaarder dan die van de individuele gelovige.
Er zijn vragen die het vermogen van een plaatselijke kerkenraad te boven gaan. Het is dan van grote waarde de hulp in te roepen van de denominatie. Dan moet, behoudens het recht van appel, wat breed besloten wordt wel voor vast en bondig worden gehouden. Ook is het kerkelijk ongerijmd wanneer homoseksuele broeders en zusters met een overgang naar een andere plaatselijke kerk met een heel ander pastoraal beleid te maken krijgen. Een gemeentelid dat desondanks een eigen weg gaat, zal ernstig en liefdevol moeten worden vermaand, in wijsheid en fijngevoeligheid.
J Conclusie
Op basis van bovenstaande is de Federale Synode tot de volgende conclusie
gekomen.
1. De synodevergadering erkent dat in het verleden in het algemeen te weinig specifieke aandacht is geweest voor een pastoraal spreken en handelen inzake homoseksualiteit en homoseksuele relaties.
2. Gemeenteleden met een homoseksuele gerichtheid hebben binnen de gemeente van Christus dezelfde positie als andere leden van de gemeente. Hun gerichtheid doet daaraan niets af. Zij zijn volwaardig en gelijkwaardig lid van de gemeente, delen in de onderlinge zorg en worden met hun eigen gaven ingeschakeld tot opbouw van het geheel.
3. Seksuele omgang tussen mensen van gelijk geslacht en relaties waarin die omgang gestalte krijgt, zijn niet in overeenstemming met het Woord van God en moeten derhalve zonde worden genoemd. Hierbij heeft de kerk in haar pastorale verantwoordelijkheid de weg van kerkelijke vermaning te gaan in overeenstemming met Schrift, belijdenis en kerkorde.
4. De hantering van dit Bijbelse spreken ten aanzien van homoseksualiteit en homoseksuele relaties in prediking, catechese en pastoraat dient in de gezindheid van Christus te geschieden.
II Pastoraat aan homoseksuele personen
Zoals elke christen is ook de homoseksuele persoon die met Christus op weg wil gaan, geroepen om te veranderen, om te ontwikkelen in de relatie met God naar een steeds duidelijker blijk van heiliging in zijn bedoelingen, woorden en gedragingen. De Bijbel leert ons dat voor een christen een dergelijke verandering de sleutel tot het geluk is. Deze uitspraak is belangrijk in een hedendaagse context die ten onrechte ervan uitgaat dat het geluk onvermijdelijk tot stand komt door een seksuele praktijk die in overeenkomst is met de gerichtheid van het individu. Het onderricht van de Bijbel plaatst duidelijk andere bakens voor een christenleven: het is door gehoorzaamheid aan de geboden die God heeft gegeven in de Bijbel dat de christen op weg kan gaan naar de ontplooiing. Deze ontplooiing zal inderdaad niet de bevrediging van alle verlangens inhouden (om het even of ze gaan over seksualiteit, materiële goederen, familiale relaties of professionele verwezenlijkingen). Ze zal eerder bestaan in een gezond en heilig omgaan met gebreken en onbevredigde verlangens, in een context van dankbaarheid en blijdschap voor de toch talrijke geneugten die God zijn kinderen toevertrouwt.
A De homoseksuele persoon begeleiden, niet manipuleren
Een doeltreffend pastoraat zal dus bestaan uit de begeleiding van homoseksuele personen in een proces, waarvoor zij steeds verantwoordelijk zullen blijven t.o.v. God, in overeenstemming met dit Bijbelse model. Dit pastoraat moet vooral reactief zijn, d.w.z. dat zij het gevolg moet zijn van een vraag vanwege de homoseksuele persoon. Het verzaken aan homoseksuele activiteit kan alleen voortkomen uit een antwoord in vrijheid, uit liefde voor Christus, op zijn oproep om zijn kruis op zich te nemen. Op dit domein kan pastoraat alleen doeltreffend zijn als ze antwoord geeft op een vraag die gesteld is door de homoseksuele persoon die overtuigd is van het belang / de relevantie van zijn offer in de context van een liefdesrelatie met Christus.
Deze benadering maakt een helder geluid noodzakelijk dat ingaat tegen het discours dat wordt voorgestaan door de homolobby: de homoseksuele gerichtheid is niet noodzakelijk onontkoombaar en de persoon die zijn homoseksuele gerichtheid toegeeft is niet verplicht zijn seksualiteit te beleven om zijn leven tot ontplooiing te brengen.
Het blijft nochtans van wezenlijk belang om op pad te gaan met de homoseksuele persoon met zeer veel gevoel, want het doel dat een dergelijke persoon zich stelt (en dat overeenkomt met Gods eis in de Bijbel) heeft te maken met de verandering van zijn wezen, en niet alleen van zijn handelen. De homoseksuele gerichtheid speelt een rol in alle levensdomeinen van een mens en kan dus niet worden behandeld als een gedrag waaraan men slechts eenmaal moet verzaken. De pastorale begeleiding op dit domein moet rekening houden met het lijden van het individu en mag zich niet tevreden stellen met een simpele eis aangaande het gedrag.
Het doel van het pastoraat van de homoseksualiteit is vooreerst om de betrokken persoon te begeleiden op de weg van het geloof in Christus, en niet om hem om te vormen in een heteroseksueel persoon, noch om voor haar/hem een echtgenoot/echtgenote te vinden. Dit soort doelstelling (het heteroseksuele huwelijk) heeft eerder als bedoeling de omgeving gerust te stellen dan de persoon zelf de weg te openen naar het geluk van een voltooid leven met God, en leidt bijna steeds tot ernstige relationele nood.
Gezien de diversiteit die bestaat binnen homoseksualiteit, moet een verstandige pastorale benadering de bedoeling hebben om, op vraag van de homoseksuele persoon, haar/hem te helpen in het onderzoeken van de diverse mogelijkheden die er zouden kunnen zijn en die passen binnen een Bijbels gefundeerde christelijke ethiek. Bij de te overwegen mogelijkheden treffen we de volgende aan, waarbij in elk geval de tussenkomst, de hulp en het inzicht van God noodzakelijk zijn voor de christen, en sommige gevallen zouden baat kunnen hebben bij gespecialiseerde begeleiding.
1. De eventueel aanwezige heteroseksuele neigingen bevorderen en op zoek gaan naar de realisatie van de seksualiteit in een wettig huwelijk. Verscheidene psychosociale studies bevestigen dat homoseksualiteit en heteroseksualiteit geen exclusieve seksuele gerichtheid zijn, maar veeleer twee uiteinden van een continuüm vormen. Een groot aantal homoseksuele personen zijn dus niet exclusief homoseksueel.
2. Een professionele psychologische begeleiding vinden die op zoek gaat naar de eventuele redenen van de homoseksualiteit en die in voorkomend geval tracht deze te remediëren (uiteraard zijn niet alle psychologen bereid om vanuit dit perspectief te werken).
3. God vragen om een wonderbaarlijke tussenkomst van herstel van de seksualiteit, en dit van Hem verwachten.
4. God vragen om de gave van geduld, gehoorzaamheid en zelfbeheersing in het kader van seksuele onthouding die tijdelijk kan zijn (in afwachting van een wijziging van seksuele gerichtheid) of blijvend (in sommige gevallen gaande tot een gelofte van kuisheid) en deze gave van Hem verwachten. Als een homoseksuele persoon verzoekt om een pastorale begeleiding om te leven overeenkomstig een dergelijke keuze, dan moet die gehoor en ondersteuning vinden bij de kerk en haar verantwoordelijken.
B De rol van de kerkgemeente in het pastoraat van de homoseksuele persoon
Te midden van de factoren die een homoseksuele persoon kunnen helpen om de weg als christen te gaan, vinden we ook de belangrijke rol van medechristenen, die in de Bijbel worden omschreven als geestelijke familie (Ef. 2:19). Deze rol vindt in het algemeen zijn meest concrete invulling in het deelnemen aan het leven van een kerkgemeente. Deze rol mag men onderschatten noch overschatten.
Deze rol kan worden onderschat als een kerk haar verantwoordelijkheid om mensen op te vangen niet onderkent of als ze de persoon verwerpt omwille van zijn seksuele gerichtheid. Zoals iedere mens die voelt dat hij God nodig heeft en die antwoorden zoekt op zijn geestelijke vragen, zou ook een homoseksuele persoon bij een kerk een plaats van begeleiding en gehoor moeten vinden. De gemeenschap van christenen is een van de middelen die God wil gebruiken om bij te dragen aan de genezing van de relationele en emotionele verwondingen van zijn kinderen, aan het verlichten van de eenzaamheid van alleen gelaten personen en aan de noden van geestelijke en pastorale begeleiding van ieder mens. De geestelijke gemeenschap van de kerk is ook de door God gewilde omgeving om onze identiteit op Christus te gaan focussen. In een maatschappij die vooral bezig is met narcisme, de cultus van het imago, de consumptie en het openbloeien van het individu, bestaat een essentieel onderdeel van de weg van de christen erin om onze identiteit opnieuw op Christus te focussen. De kerk is bij uitstek de omgeving voor dit proces van geestelijke groei, waarvan de inzet niets minder is dan het geluk van elk menselijk wezen, wat ook zijn seksuele gerichtheid moge zijn.
De rol van een kerkgemeente kan worden overschat als ze denkt dat ze alle behoeften van een homoseksuele persoon zou kunnen of zou moeten vervullen. Het is inderdaad een goede zaak om buiten de kerkgemeente op zoek te gaan naar bepaalde vormen van ondersteuning in vriendschappen, therapeutische begeleiding, de hulp van een psycholoog enz. Niet alle kerken hebben de menselijke mogelijkheden om bij alle christenen tegemoet te komen aan deze behoeften, en het zou nefast zijn voor een predikant (of andere kerkverantwoordelijke) als hij zou verwachten dat hij heel de geestelijke en emotionele begeleiding van een homoseksuele persoon (evenmin als van om het even welke andere christen) zou beheersen. Vanuit dit oogmerk kan het dus zeer nuttig zijn voor de verantwoordelijken van een kerkgemeente om vertrouwensrelaties op te bouwen met verschillende partners (verantwoordelijken van andere kerken, beroepskrachten met vorming in hulpverlening of psychotherapie etc.).
Het gebeurt heel vaak dat de rol van de kerkgemeente zich niet beperkt tot de begeleiding van homoseksuele personen, maar dat ze ook betrokken geraakt bij hun naasten, vooral bij de gezinnen waaruit ze voortkomen. De homoseksuele gerichtheid raakt immers zowel families binnen de kerk als buiten de kerk. In het geval van christelijke ouders die de homoseksualiteit van een van hun jongvolwassen of volwassen kinderen ontdekken, is het van belang om aan de ouders (maar ook aan de andere leden van het gezin) een geestelijke en pastorale begeleiding voor te stellen die verlichting biedt aan hun eventuele nood die is ontstaan door de levenskeuze van hun kind. De kerk kan geen homoseksuele persoon helpen die niet wenst te worden geholpen, zelfs niet op vraag van de ouders. Ze kan daarentegen wel een luisterend oor, bemoediging en begeleiding aan de ouders zelf voorstellen.
C Onderscheid maken tussen pastorale begeleiding en het werk van de Heilige Geest
De christen met een homoseksuele gerichtheid wordt opgeroepen, zoals ieder ander christen, om te groeien in de gelijkenis van Christus (Ef. 4:13-16). Dit proces is vooral het werk van God zelf, door het handelen van de Heilige Geest, en vergt een vrijwillige inzet van het individu, op grond van zijn relatie met de Heer. Het verlangen van de christen om zich zo te laten veranderen door God mag niet voortkomen vanuit iets dat wettisch is opgelegd, uit kerkelijke druk of uit het verlangen te wedijveren met de predikant of een andere christen., maar moet zijn oorsprong vinden in de liefde van Christus, Die zijn leven voor ons heeft gegeven. Geen enkele begeleiding vanwege een predikant of vanwege en kerk kan uitmonden in een duurzaam en openbloeiend resultaat in het leven van een christen met een homoseksuele gerichtheid tenzij hij om te beginnen overtuigd is van Gods liefde voor hem en zeker is van zijn verlangen om te leven als discipel van Christus. Alleen deze intieme en persoonlijke relatie tussen het individu en Christus kan leiden tot een gelukkig en geestelijk voldragen christelijk leven.
D Enkele praktische vragen en pogingen tot antwoord
In de praktijk varieert het pastoraat i.v.m. homoseksualiteit enorm naargelang de individuen en de concrete omstandigheden. Geen enkele theoretische benadering, zoals degene die we voorstellen in dit document, kan ervan uitgaan dat ze pastorale oplossingen voorstelt voor de enorme hoeveelheid van gevallen die zich op dit ogenblik voordoen en die niet zullen ophouden zich in onze kerken voor te doen in de komende jaren.
Maar in alle gevallen zal het een goede zaak zijn een onderscheid te maken tussen:
* het onthaal van een persoon;
* de aanvaarding of de begeleiding van de persoon;
* de goedkeuring van zijn gedragingen.
Het is mogelijk om een luisterend oor en een begeleiding aan te bieden aan de homoseksuele persoon die antwoorden zoekt voor zijn geestelijke vragen, zonder daarom zijn gedragingen goed te keuren. En deze afkeuring uitdrukken mag geen voorrang krijgen – er kan worden gewacht op een geschikt ogenblik, als de relatie al is aangeknoopt, net zoals bij Jezus’ benadering van de Samaritaanse vrouw bij de put (Joh. 4).
Dit onderscheid tussen onthaal, aanvaarding en goedkeuring stelt ons in staat om een benadering uit te werken die bijv. een homoseksuele persoon die vraagt om lid te worden van een kerk, niet onmiddellijk afwijst. Dankzij dit onderscheid kan een predikant, als hem wordt gevraagd een zegen uit te spreken over een homoseksueel huwelijk, op een andere wijze reageren dan met een directe afwijzing van personen, ook als er geen mogelijkheid is om in te gaan op de vraag om een inzegening. Deze vraag kan immers voortkomen vanuit een verlangen van een ‘religieuze’ onderbouwing van hun vraag om een burgerlijk huwelijk, maar hij kan ook voortkomen uit een oprechte geestelijke zoektocht en een verlangen om nader tot God te komen; in zo’n geval behoort een kerk of predikant die wordt aangesproken open te staan voor de dialoog.
Zo zal het ook in het geval van een homoseksueel koppel met kinderen dat een kerk begint te bezoeken niet noodzakelijk in het belang van iedereen zijn, vooral niet van de kinderen, als de scheiding van de betrokken homoseksuele ‘ouders’ wordt geëist. Een pastorale benadering, die doordrongen is van genade, zal op zoek gaan naar de opbouw van relaties die toeleiden naar het Evangelie, terwijl tegelijk ook duidelijk de Bijbelse waarheid aangaande de gedragingen wordt bevestigd en er wordt gewaakt over de kalmte in de gemeenschap. Kortom, het wezenlijke is niet dat homoseksuelen gaan leven zoals heteroseksuelen, maar dat elkeen zich in waarheid tot God wendt.
III Een slotopmerking met het oog op het behoud van de eenheid der christenen
Pastoraat i.v.m. seksualiteit, vooral i.v.m. homoseksualiteit is zodanig complex dat een consensus voor alle mogelijke gevallen onmogelijk is. Niet alle kerken en alle predikanten, zelfs niet binnen de denominaties die zich ‘evangelisch’ noemen (of ‘vertegenwoordigd door de opstellers van dit document’) zullen tot dezelfde conclusies aangaande deze situaties komen.
De kwestie van de homoseksualiteit zorgt vandaag voor verdeeldheid. Het staat ons voor dat twee extreme houdingen dienen te worden vermeden: die van kerken die zonder andere overwegingen de homoseksuele personen afwijzen en die van kerken die hun verbintenis inzegenen. Tussen deze twee uitersten stelt onderhavige tekst echter voor dat er in de kerk ruimte zou zijn voor het onthaal en de begeleiding van homoseksuele personen. In deze ruimte moeten we mekaar, als christenen en verantwoordelijken van kerken, het ‘recht’ geven te komen tot conclusies en tot richtlijnen die soms van elkaar verschillen, zolang ze de dubbele Bijbelse grens van verwerping van de homoseksuele persoon en aanvaarding van de homoseksuele praktijk niet overschrijden, en blijven binnen de waarachtige liefde voor de homoseksuele naaste. Het gaat daarbij om de deugdelijkheid van ons christelijk getuigenis en om de heldere zichtbaarheid van de boodschap van het Evangelie in de
duisternis van de wereld waarin wij leven.





