
Milieu (SV 07/05/2022)
7 mei 2022
Armoedeverklaring VILD overhandigd aan Vlaams Parlement (SV 17/10/2018)
5 februari 2026Klik hier om de PDF te downloaden
I. Preambule
Levensbeschouwingen zijn waardevol in onze samenleving. Ze zijn een belangrijke zingever voor mensen en dragen bij aan de gemeenschapsvorming. Een pluriforme samenleving waarvan de fundamentele democratische rechten, vrijheden en waarden
de grondslag vormen, staat open voor levensbeschouwingen en religies. In een vrije en vreedzame samenleving respecteren burgers elkaars religieuze en filosofische overtuiging.
De plaats van levensbeschouwingen in onze samenleving is geëvolueerd sinds de verankering van de vrijheid van eredienst in de Grondwet. De levensbeschouwelijke breuklijnen die gedurende zowat anderhalve eeuw de samenleving kenmerkten, zijn de afgelopen decennia zowel vervaagd als gewijzigd. Schijnbaar tegenstrijdige tendensen tekenen zich af: een steeds groter wordende pluraliteit en diversiteit van en
in levensbeschouwingen enerzijds en tegelijkertijd de toenemende secularisering en de neiging om religie terug te dringen tot de privésfeer anderzijds.
In deze context is het des te belangrijker het kader waarbinnen overheid en levensbeschouwingen elkaar kunnen erkennen en respecteren, duidelijk te maken. Met dit charter herbevestigen de levensbeschouwingen en religies de onderlinge dialoog, het overleg met de Vlaamse overheid en het maatschappelijk-wettelijke kader waarbinnen de relaties tussen de levensbeschouwingen en de overheid zich afspelen.
De scheiding tussen levensbeschouwing en overheid belet niet dat de overheid de rol van de levensbeschouwingen naar waarde kan schatten en ze positief kan bejegenen.
Dit charter wil een basis zijn zowel voor uitwisseling en dialoog tussen de levensbeschouwingen onderling als voor het overleg met de overheid. Wederzijds respect houdt onder meer in discussiepunten in dialoog aan te kaarten. Dialoog bevordert verdraagzaamheid.
De erkende erediensten en levensbeschouwingen zijn de rooms-katholieke, de israëlitische, de protestants-evangelische, de anglicaanse, de islamitische, de orthodoxe eredienst en de niet-confessionele levensbeschouwing (het vrijzinnig humanisme). Mocht de federale overheid in de toekomst andere erediensten en levensbeschouwingen erkennen, dan zullen de vertegenwoordigers ervan natuurlijk de gelegenheid krijgen om dit Charter te ondertekenen en om deel te nemen aan de Interlevensbeschouwelijke Dialoog.
II. Charter
1. Verhouding tussen overheid en levensbeschouwingen
§ 1 De overheid erkent de scheiding tussen Kerk en Staat (GW artikel 21, Vlaams Handvest art. 23c). De overheid heeft institutionele noch inhoudelijke zeggenschap over de organisatie van de erediensten. De overheid erkent geen staatsgodsdienst en is neutraal ten opzichte van elke eredienst of levensbeschouwing.
§ 2 De vrijheid van eredienst en levensbeschouwing hangt zoals elk grondrecht samen met het gelijkheidsbeginsel (GW art. 10 en 11). Dit betekent dat de verschillende erediensten of levensbeschouwingen gelijk behandeld dienen te worden, ook als het in de praktijk moeilijk is. De overheid moet zich neutraal opstellen ten opzichte van het al dan niet aanhangen van een bepaalde eredienst of levensbeschouwing. De overheid mag geen voorkeur of afkeur uitspreken voor een eredienst of een levensbeschouwing. Individuen of groepen mogen niet gediscrimineerd worden op basis van hun geloofsovertuiging of levensbeschouwing.
§ 3 De Grondwet erkent de vrijheid van eredienst en de – ongestoorde – vrije openbare uitoefening ervan, alsook de vrijheid van meningsuiting, met uitzondering van misdrijven gepleegd bij het beoefenen van de genoemde vrijheden (GW artikel 19, Wetboek van Strafrecht artikelen 142 & 143).
§ 4 De Grondwet erkent het recht om niet deel te nemen aan handelingen en plechtigheden van een eredienst, alsook de vrijheid om religieuze rustdagen niet te onderhouden (GW artikel 20).
§ 5 De Grondwet erkent de vrijheid van onderwijs, zowel om onderwijs in te richten als om onderwijs te kiezen. Leerplichtonderwijs ingericht door privépersonen richt twee uur levensbeschouwelijk onderricht in overeenkomstig hun pedagogisch project; onderwijs ingericht door een overheid richt twee uur onderricht in, in elke erkende levensbeschouwing te volgen naar keuze van de ouders (GW artikel 24).
2. Fundamentele vrijheden, rechten en waarden
België lag mee aan de basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (1950) dat de natuurlijke, fundamentele rechten van de Europese burger juridisch vastlegt. Elke Staat die lid is van de Raad van Europa, moet zich niet alleen aan het Verdrag houden, maar moet ook de naleving ervan waarborgen. De hoogste nationale en Europese rechtscolleges waken over de toepassing ervan.
In deze samenleving is het respect voor een aantal fundamentele mensenrechten dan ook essentieel: de vrijheid van geloofsovertuiging, het recht om niet te geloven of om van geloof te veranderen, en de vrijheid van meningsuiting behoren tot haar kern. De samenleving hecht dan ook bijzonder veel waarde aan de permanente mogelijkheid tot dialoog en debat tussen gelijkwaardige partners.
Naast die vrijheid is gelijkheid in rechten de tweede pijler van dit Verdrag: gelijkwaardigheid tussen mensen, tussen man en vrouw in de samenleving zijn fundamenteel. Die gelijkwaardigheid betekent dat onder meer racisme, xenofobie en seksisme laakbaar zijn en daden daarop gebaseerd strafbaar zijn. Uit gelijkheid volgt ook solidariteit tussen alle burgers. Vrijheid en gelijkheid impliceren gelijkheid voor de wet, het recht om deel te nemen aan het democratische proces, ieder burgers recht om overheidsfuncties op te nemen, evenals het recht op het volgen van onderwijs, het respect voor de vrije partnerkeuze en het recht op een eigen levensbeschouwing mits respect voor het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
In de context van de Vlaamse Gemeenschap zijn deze rechten, vrijheden en waarden constitutief voor het harmonieuze samenleven van de burgers. Het zijn noodzakelijke voorwaarden voor het leven en de ontplooiing van al haar leden.
- Vrijheid
Elke mens heeft recht op het maken van eigen keuzes. Tegelijkertijd is elke mens aansprakelijk en verantwoordelijk voor die keuzes.
Elke mens heeft recht op gewetensvrijheid, het recht om te geloven of om niet te geloven, of om van geloof of levensbeschouwing te veranderen.
Elke mens heeft recht op vrije meningsuiting. Dit recht kent enkele (wettelijk aangegeven) beperkingen, namelijk wanneer het recht op vrije mening de rechten van anderen aantast (schending van het gelijkheidsbeginsel).
Hieronder valt het aansporen tot misdaden, het oproepen tot haat of geweld, of het uiten van laster en eerroof (zie ook ‘Respect’).
Elke mens heeft het recht om te streven naar een vrije ontwikkeling, vrije beroepskeuze en vrije partnerkeuze.
Binnen dit kader heeft elke mens het recht om zijn standpunten en keuzes te laten beïnvloeden of te laten bepalen door zijn levensbeschouwing.
- Gelijkheid/gelijkwaardigheid
Alle mensen zijn gelijkwaardig: ze hebben gelijke rechten en kunnen dus in dezelfde mate aanspraak maken op rechten en vrijheden. Gelijkheid betekent niet alleen de gelijke toepassing van de wet, maar ook een gelijke behandeling bij gelijke situaties en een eventueel verschillende behandeling bij verschillende situaties (non-discriminatie).
De overheid dient voorzieningen te treffen die bijdragen aan een grotere gelijkheid van toegang tot degelijk onderwijs, arbeid, huisvesting, zorg en behoort groepen te steunen die hieraan bijdragen.
- Solidariteit
Solidariteit vertrekt van gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid. Ze veronderstelt dat mensen zich met elkaar verbonden voelen en op basis van die verbondenheid elkaar willen steunen en met elkaar willen delen.
Bij deze solidariteit dient men ook zorg te dragen voor de komende generaties.
- Respect
Het recht op respect creëert de plicht om de menselijke waardigheid te eerbiedigen. Dat impliceert het respect voor de verschillen tussen mensen, onder meer inzake religie, levensbeschouwing en cultuur. Racisme, xenofobie en seksisme schenden de menselijke waardigheid en zijn bij wet verboden.
Het respect voor andersdenkenden nodigt ook uit om de vrijheid van meningsuiting niet volledig te benutten, geen als heilig beschouwde personen of symbolen te beschimpen en kritiek zakelijk te houden (zie ook ‘Vrijheid’).
Respectloosheid mag nooit met geweld worden beantwoord.
Dit respect moet worden uitgebreid naar het geheel van de natuur.
3. Democratie en de rechtsstaat
Democratie impliceert het recht op zelfbestuur van de bevolking. Burgers nemen deel aan de politieke besluitvorming. Directe, vrije en gelijke
verkiezingen bepalen wie politieke macht mag uitoefenen. Een meerderheid van vertegenwoordigers kan dan besturen, maar steeds binnen het vastgelegde grondwettelijke kader: de Grondwet biedt het legitieme kader voor politieke macht. In een democratie is de machtsaanspraak van de besturende meerderheid steeds tijdelijk, namelijk tot aan de volgende verkiezingen. De waarheidsaanspraak van een politieke keuze is nooit absoluut, maar het gevolg van collectieve besluitvorming na vrije wilsvorming tussen burgers. De democratische besluitvorming is het resultaat van een georganiseerd debat tussen de politieke krachten in de samenleving.
Bovendien is democratie een samenlevingsmodel dat vrede, veiligheid en welvaart voor alle burgers tracht te verwezenlijken. Democratie garandeert in principe de best mogelijke naleving van de hogergenoemde fundamentele rechten, vrijheden en waarden. Democratie impliceert de vrijheid om aan uiteenlopende visies en overtuigingen vorm te geven: ze is eveneens de best mogelijke voorwaarde voor een vreedzame samenleving in diversiteit, waarbij verschillen en conflicten door dialoog worden opgevangen en opgelost.
Een democratie beschermt de rechten van minderheden, waaronder onder meer mensen zonder papieren en vluchtelingen, en bevat een bestuurlijk en juridisch systeem om die rechten te vrijwaren. In een democratische rechtsstaat houden de drie machten – de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht – elkaar in evenwicht. Een menswaardige opvang dient voor iedereen gegarandeerd te worden, in het bijzonder voor de meest kwetsbaren en voor kinderen.
Elke mens heeft het recht om autonoom zijn persoonlijkheid te ontwikkelen en een beroep te doen op culturele invloeden uit verschillende milieus: familie, school, leeftijdsgenoten, werkomgeving, maar ook verenigingsleven (inclusief de geloofsgemeenschap of de levensbeschouwelijke organisatie). Individuen kunnen hun identiteit vrij beleven, binnen het kader van de erkende fundamentele rechten en vrijheden. Groepen waarvan leden elkaar in hun identiteitsbeleving vinden, kunnen zich vrij organiseren en manifesteren en intern hun eigen regels volgen mits deze niet strijdig zijn met de openbare orde en het strafrecht.
III. Gemeenschappelijk engagement
Ondanks hun onderlinge verschillen, vinden de vertegenwoordigers van de erkende erediensten en levensbeschouwingen elkaar in een gemeenschappelijk doel: een leefbare wereld, een samenleving met welzijn voor iedereen, vrijheid, vrede, verdraagzaamheid en het behoud van de democratische rechtsstaat.
Zij treden in vertrouwen en respectvol met elkaar en de samenleving in dialoog.
Namens (naam en handtekening):
Verenigde Protestantse Kerk in België
Steven H. Fuite
Federale Synode van protestantse en evangelische kerken
Geert W. Lorein
Centraal Israëlitisch Consistorie van België
Philippe Markiewicz
Vrijzinnig Humanisme
Sylvain Peeters
Rooms-Katholieke Kerk
J. De Kesel
Orthodoxe Kerk
Metropoliet Athenagoras
Anglicaanse kerk
Jack McDonald
Islamitische eredienst
S. Echallaoui





